|
Uit: 'Het huis in de holle boom':
"Huil maar niet, zus," zei hij troostend. "We weten nu, dat tante ons niet mag en liever nooit in huis genomen had. Maar we moeten toch dankbaar zijn, dat ze het even goed wel heeft gedaan en dat ze ons eten en kleren geeft."
"Ja, maar het is niet gezellig," snikte het meisje. "Ons huis is niet zoals andere. Als je het huis van Engelientje neemt... of van Tom... daar is het pas fijn."
Peter knikte. Ja, zijn zusje had gelijk. Ja, dat waren èchte gezinnen en dat kwam omdat daar een moeder was, een èchte moeder. Een moeder, die van haar kinderen hield, die niet zo mopperde en ook zeker een gulden voor het schoolreisje zou geven, als ze het maar even kon missen. In die gezinnen was er echte liefde. Dat ontbrak bij hen. De kinderen hielden van hun ouders en de ouders van hun kinderen, ze hadden alles voor elkaar over en deden met liefde alles voor elkaar.
Suze dacht er aan hoe Hilda altijd haar moeder een zoen gaf wanneer ze uit school thuis kwam en hoe Jopies vader haar altijd op zijn schouders nam als hij van zijn werk kwam en zij hem een stukje tegemoet liep. Ze dacht eraan hoe Tom altijd naar huis rende om zijn moeder gauw alles te vertellen wat hij op school weer had beleefd.
"O, Peter, hadden we ook maar een ècht thuis met een èchte moeder," klaagde Suze.
"Ik wou dat moeder maar niet gestorven was."
|
|
|